Facto was aanwezig op het congres, dat draaide om mythes over werk. Sommige werkmythes zijn hardnekkig, ook al zijn ze niet waar. Dat geldt ook voor het idee dat werkplekken het beste kunnen worden ontworpen voor een gemiddelde gebruiker. Donker, universitair hoofddocent Experimentele Psychologie, liet zien dat daarbij drie knelpunten ontstaan.
Efficiënt ontwerpen lijkt logisch
In theorie klinkt het ontwerpen van werkplekken voor de gemiddelde mens vrij logisch. Een werkplek moet veilig zijn, doen wat hij moet doen en efficiënt functioneren.
Neem bijvoorbeeld een werkplaats. Gereedschap dat het vaakst wordt gebruikt, moet het makkelijkst te pakken zijn. Planken moeten op een hoogte hangen waar mensen bij kunnen. Werkbanken moeten diep genoeg zijn om aan te kunnen werken, maar niet zo diep dat iemand niet meer bij een stopcontact kan.
Ook bij informatievoorziening speelt efficiëntie een rol. Denk aan schermen met reisinformatie. De informatie moet goed leesbaar zijn, met voldoende contrast. Tegelijkertijd mag er niet te veel informatie op het scherm staan en moet de tekst lang genoeg zichtbaar blijven om te kunnen lezen.
Aanpassen aan het systeem
Toch is het niet zo simpel. Een eerste knelpunt dat ontstaat bij het ontwerpen voor een gemiddelde gebruiker, is dat de werkplek niet wordt aangepast aan de mens, maar dat mensen zich moeten aanpassen aan het ontwerp.
Donker illustreerde dat met een voorbeeld uit de politiepraktijk. In de jaren tachtig stapte de Nederlandse politie over op een nieuw dienstpistool, de Walther P5. In de praktijk bleek dat niet iedereen even goed met het wapen overweg kon, omdat het wapen voor veel handen te groot was.
Een van de oplossingen die destijds werd geopperd, was om agenten te selecteren op handgrootte. Dat was goedkoper dan het aanpassen van het ontwerp van het pistool. Dit laat zien hoe snel het perspectief kan verschuiven: in plaats van het ontwerp aan te passen aan de gebruiker, wordt de gebruiker aangepast aan het ontwerp.
De gemiddelde mens als maatstaf
Een tweede knelpunt is dat de gemiddelde mens in werkelijkheid nauwelijks bestaat. Donker verwees naar een bekend voorbeeld uit de Verenigde Staten uit de jaren veertig. Een gynaecoloog en beeldhouwer maakten een standbeeld van de ‘gemiddelde vrouw.’ Het beeld kreeg de naam Norma.
Om dat gemiddelde lichaam te bepalen, werden negen verschillende lichaamsmaten gemeten bij duizenden Amerikaanse vrouwen. Het idee dat Norma het gemiddelde lichaam vertegenwoordigde kreeg veel aandacht. Er werd zelfs een wedstrijd georganiseerd om te bepalen welke vrouw het meest op Norma leek.
Uiteindelijk bleek niemand daadwerkelijk overeen te komen met alle gemiddelde lichaamsmaten. Ook de vrouw die het meest op het beeld leek, kwam slechts op vijf van de negen maten overeen.
Toch werd destijds niet geconcludeerd dat het idee van een gemiddelde vrouw misschien niet klopte. In plaats daarvan werd geconcludeerd dat het blijkbaar slecht gesteld moest zijn met de Amerikaanse vrouwen. Integendeel: er werden trainingsprogramma’s voorgesteld om vrouwen dichter bij dit ‘gemiddelde’ lichaam te laten komen.
Werkplek aanpassen aan de gebruiker
Een vergelijkbare ontdekking werd gedaan in de luchtvaart. In de jaren veertig kampte de Amerikaanse luchtmacht met een probleem: piloten crashten opvallend vaak. Op een gegeven moment crashten er zelfs zeventien piloten op één dag. Aanvankelijk werd gedacht dat piloten fouten maakten, maar uit onderzoek bleek iets anders.
Luitenant Gilbert Daniels analyseerde de lichaamsmaten van zo’n 4000 piloten en keek naar maten die belangrijk waren voor cockpitontwerp, zoals arm- en beenlengte. Wat bleek: geen enkele piloot viel binnen het gemiddelde op alle tien de maten tegelijk.
In plaats van piloten zich te laten aanpassen aan het ontwerp, besloot de luchtmacht het ontwerp aan te passen. Cockpits werden verstelbaar gemaakt, zodat ze door verschillende piloten gebruikt konden worden.
Weinig ruimte voor variatie
Een derde knelpunt is dat ontwerpen voor een gemiddelde maat weinig ruimte laat voor variatie. Volgens Donker functioneren systemen beter wanneer ze rekening houden met verschillen tussen mensen. Lichamen, vaardigheden en manieren van werken lopen sterk uiteen.
Wanneer een ontwerp uitsluitend is gebaseerd op een gemiddelde, sluit dat een deel van de gebruikers uit. Gemiddelden kunnen wel nuttig zijn als referentiepunt, maar vormen geen goede basis voor ontwerpbeslissingen.
Efficiënt onder voorwaarden
Dat betekent niet dat ontwerpen voor een gemiddelde gebruiker per definitie verkeerd is. Volgens Donker kan het efficiënt zijn, maar alleen onder bepaalde voorwaarden.
Het werkt alleen wanneer mensen zich aanpassen aan het systeem, of wanneer organisaties werknemers selecteren die binnen het ontwerp passen. Het voorbeeld van het politiepistool laat zien hoe dat kan gebeuren; bijvoorbeeld wanneer agenten worden geselecteerd op handgrootte.
In organisaties wordt vaak pas zichtbaar of een werkplek goed werkt, wanneer mensen de ruimte daadwerkelijk gebruiken. Verschillen in lichaamsbouw, vaardigheden en manieren van werken worden dan direct merkbaar in het dagelijks gebruik van de werkomgeving. Voor FM'ers, die verantwoordelijk zijn voor het functioneren van de werkomgeving, is een goed ontwerp daarom essentieel.
In de praktijk zijn mensen te verschillend om volledig in één gemiddelde te vatten. Juist daarom pleit Donker ervoor om bij het ontwerpen van werkplekken en systemen meer rekening te houden met variatie tussen gebruikers.







